Edilio lag op de trap van het stadhuis en voelde zich zo zwak als een klein poesje. Hij had Caines grote toespraak nauwelijks gehoord. Het interesseerde hem werkelijk niets. Hij kon er toch niets aan doen, niet zoals hij hier lag te ijlen door de koorts.
Hij hoestte hard, te hard. Elke hoestbui verscheurde zijn lijf, en hij was telkens weer bang voor de volgende. Er lagen knopen in zijn maag. Hij had spierpijn in zijn hele lichaam.
Hij was zich er vaag van bewust dat hij tussen de hoestbuien door iets zei.
‘Mama. Mama. Salvame.’
Red me, moeder.
‘Santa María, salvame,’ smeekte hij en hij hoestte zo hard dat hij met zijn hoofd tegen de traptreden sloeg.
De dood kwam dichterbij, hij voelde het. De dood tastte door zijn duizelige, warrige hoofd en hij voelde zijn koude hand om zijn hart.
Santa María, Madre de Dios, ruega por nosotros pecadores, ahora y en la hora de nuestra muerte.
En toen, in de kolkende duisternis, zag hij haar. Een gestalte in een golvende wit met blauwe jurk. Ze had droevige, donkere ogen en er hing een gouden gloed rond haar hoofd.
Ze stak een hand op alsof ze hem wilde zegenen.
Hij hoorde haar stem. Het verbaasde hem dat ze Engels sprak. In zijn hoofd had de moeder van God altijd Spaans gesproken.
‘Vlucht, Edilio,’ zei ze.
Hij begon het gebed te herhalen. Santa María, Madre de Dios…
Maar ze greep hem bij zijn uitgestoken arm en zei: ‘Ik weet dat je ziek bent, maar je moet vluchten. vlucht! Ik kan je niet redden!’
Om de een of andere reden had de maagd Maria de stem van Brianna.
Edilio kwam overeind. De plotselinge beweging veroorzaakte scherpe pijnscheuten in zijn hoofd. Heel even kon hij zelfs niets zien, maar hij ploegde verder met lood in zijn schoenen. Hij viel, rolde door en stond weer op, blindelings, wankelend. Hij vluchtte en vluchtte en hoestte tot hij op de grond dubbel klapte.
Daar bleef hij een tijdje zitten. Wachtend tot hij de kracht had gevonden om Brianna’s bevel op te volgen en te vluchten.
Hij keek op en zag dat hij aan de overkant van het plein was. Hij zag de wanhopige zieken en de roerloze doden op de trap.
En hij zag demonen, enorme monsters, gepantserde kakkerlakken met felrode duivelsogen.
Ze klommen de trap op.
Brianna zag hoe Lana met Sanjit het ziekenhuis uit stormde. De insecten waren overal.
Edilio was gevlucht, gelukkig, en daar was Lana. Brianna vloekte en gilde: ‘Lana, wegwezen! Rennen. Neem de achteruitgang!’
Lana trok haar pistool. ‘Geen denken aan,’ zei ze. Ze richtte op het eerste beest dat ze zag en loste drie schoten. Uit een van de rode ogen droop rood-witte pus, maar het insect hield geen moment op met het verorberen van een meisje dat, naar Brianna vurig hoopte, al dood was geweest.
‘Doe niet zo stom. We hebben je nodig, je moet blijven leven. Wegwezen! Wegwezen! Jij daar,’ ze greep Sanjit in zijn nekvel, ‘neem haar mee, ze moet blijven leven!’
Brianna had gezien wat de meest effectieve manier was om de beesten te doden, maar ze was Caine niet. Ze had zijn gave niet.
Maar ze had wel die van haarzelf.
Brianna stak haar kin naar voren. Caine was verpletterd onder het instortende huis. Het was nu aan haar.
Haar mes flitste in haar hand. Dit gevecht zou ze niet winnen, maar ze zou ook niet vluchten.
Dekka had de beesten gezien die in haar lijf zaten.
Dood. O, God, laat me alstublieft sterven.
Dit kon ze niet aan. Dood, ze moest sterven, er een eind aan maken, die beesten en zichzelf vermoorden en nooit zien wat ze met haar deden.
Ze had de macht over de container verloren. In blinde paniek en pure angst was ze de controle kwijtgeraakt.
Ze probeerde hem weer terug te krijgen, maar ze viel, in de striemende wind, draaiend als een tol. Ze wist niet eens meer wat boven en beneden was.
Ze spreidde haar handen en concentreerde zich, maar waarop? Waar was de grond? Sterren en bleke bergen en zwarte zee wervelden allemaal rond. De container flitste telkens weer langs, als de wijzer van een veel te snelle klok. En twee tuimelende figuren met wiekende armen.
Ze moest Sam redden. Dat was het minste wat ze kon doen.
Ze hapte naar adem. Haar ogen traanden, waren zo wazig dat ze nauwelijks nog iets kon zien. Hoe kon ze dat draaien laten ophouden?
Dekka hield haar armen strak langs haar lichaam en sloeg haar benen om elkaar. Minder windweerstand. Ze had het nu enigszins door: ze viel met haar hoofd naar beneden. Ze tolde nog steeds, maar minder, en ze viel beslist met haar hoofd naar beneden als een pijl naar de aarde. Plotseling zag ze onder zich veel te duidelijk de witte koppen van golven.
Ze moest onder Sam zien te komen. Sam en Toto waren lager dan zij en tolden nog steeds als een dolle. Maar Dekka, die minder windweerstand had, viel net iets sneller.
Maar plotseling kwam de grond heel duidelijk in beeld. Hij raasde op haar af om haar tot moes te slaan.
Ze was onder Sam. Nu!
Ze spreidde haar vingers, concentreerde zich, en schakelde de zwaartekracht onder haar uit.
En bleef vallen. Ze had de zwaartekracht uitgeschakeld. Maar niet de vaart die ze al hadden.
Over een paar seconden zouden ze het water of de grond raken. En hoe dan ook tot moes geslagen worden.
Caine liet het puin van zijn lichaam af zweven.
De insecten waren allemaal weg. Hij zag nog net het achterlijf van het laatste beest dat wegrende.
Als hij achter ze aan ging, zou hij het waarschijnlijk niet overleven.
Maar wat moest hij doen als hij hier bleef? Veilig zijn? Op het eiland was hij ook veilig geweest. Hij was niet teruggekomen om veilig te zijn.
Het kon op twee manieren eindigen: of de insecten maakten iedereen af, en wie werden dan Caines onderdanen? Of de insecten werden door iemand anders verslagen. En hoe moest hij dan de macht weer in handen krijgen? Degene die dit gevecht won, kreeg de macht.
Toch aarzelde Caine nog. Een groot, warm bed. Een bloedmooi meisje om er samen met hem in te liggen. Eten. Water. Alles wat hij nodig had, slechts een paar kilometer verderop op het eiland. Het logische, verstandige antwoord was overduidelijk.
‘En dat is waarom de wereld zo’n puinhoop blijft,’ zei Caine tegen zichzelf. ‘Mensen zijn niet verstandig.’
Hij haalde een paar keer diep adem om rustig te worden en bereidde zich voor om te sterven voor de macht.
Orc was er niet in geslaagd zichzelf van kant te maken. Alweer niet.
Hij huilde een beetje toen hij besefte dat hij zou blijven leven. Hij deed zijn best, maar overgeven en flauwvallen dwarsboomden telkens weer zijn plan om zich dood te drinken.
Hij stond op omdat hij moest plassen, maar hij plaste al tijdens het opstaan. Dus dat had hij ook weer gedaan.
Er bewoog iets. Log draaide hij zijn hoofd opzij om te kijken. Een monster. In de gebarsten scherf van een spiegel die ternauwernood aan de muur bleef hangen.
Orc staarde naar zijn spiegelbeeld. Eén meter tachtig, misschien wel meer, aan grijs, nat grind. Hij gooide zijn hoofd in zijn nek, spreidde zijn armen en jankte.
‘Waarom? Waarom?’
Hij barstte in tranen uit en bonkte met zijn vuisten tegen zijn gezicht. Toen scheurde hij met zijn stenen vingers het laatste restje menselijke huid van zijn gezicht. Rood bloed begon te stromen.
En nu brulde hij tegen zijn eigen spiegelbeeld. ‘Waarom?’
Hij strompelde weg. Rende met grote, woeste stappen naar de trap.
Astrid.
Hij had geen duidelijk idee over wat hij met haar zou doen als hij haar zou vinden. Ze was gewoon de enige die hem ooit geholpen had. De enige die hem ooit als Charles Merriman had gezien en niet als Orc.
Ze moest zijn pijn voelen. Ze moest het voelen.
Iemand moest zijn pijn voelen.
Hij was nu boven aan de trap. Hij gooide de deur van de kamer van Kleine Pete open. Wezenloos en in de war staarde hij naar binnen. Het waaide heel hard in de kamer. Kleine Pete zweefde een meter boven zijn bed in de lucht. Hij gaf licht.
Astrid was er niet.
‘Astrid!’ brulde Orc.
Van buiten, luid en duidelijk door het open raam, kwam een antwoord.
‘Ben jij dat, Orc?’
Orc beende naar het raam. Het stond open en de ruiten waren lang geleden al ingegooid.
Het duurde even voor Orcs blik helder genoeg was om te beseffen waar hij naar keek. En toen kon hij het niet geloven.
Onder hem, in het eerste zwakke ochtendlicht, stond Drake.
Achter hem en overal op het schoolplein stonden dingen die eruitzagen als enorme kakkerlakken.
Het moest een hallucinatie zijn.
‘Drake?’ zei Orc, verwoed met zijn ogen knipperend om te testen hoe echt deze verschijning was.
‘Ik dacht al dat ik jouw stem hoorde, Orc,’ zei Drake meesmuilend. ‘En is Astrid daar ook? Geweldig. Kan niet beter.’
‘Ben je echt?’ vroeg Orc.
Drake lachte verrukt. ‘Jazeker. Ik ben echt, Orc.’
‘Ga weg.’ Het was het enige wat Orc kon bedenken.
‘Neuh, ik denk niet dat ik dat doe,’ zei Drake. Hij rende lichtvoetig naar de deur beneden en verdween uit het zicht.
Orc was met stomheid geslagen. Drake? Hier?
Binnen een paar seconden verscheen Drake in de deuropening van de kamer. Zijn koude ogen keken langs Orc en richtten zich op Kleine Pete.
‘Kijk eens wie we daar hebben,’ zei Drake. ‘Nemesis.’